dit is de website van Asha ten Broeke

/ ashatenbroeke@gmail.com / over asha ten broeke / zoeken

Jourdan Imani Keith ziet bizons in de rotsblokken en struiken die langs de weg staan, vlakbij haar huis in Seattle. ‘Ik zie ze net zo duidelijk als op de ochtenden dat ik naar mijn werk wandelde langs het meer in Yellowstone’, schrijft de dichteres in haar essay Desegregating wilderness. ‘Ik zie de schaduwen van de wildernis, waar ik ook heen ga.’

Ik moest aan dit essay denken toen ik in Trouw een artikel las over de vraag of de natuur een witte hobby is. ‘Op de Hoge Veluwe kom je zelden iemand tegen met een niet-westerse achtergrond en op de camping al helemaal niet. Althans, dat is het beeld. Is er misschien een cultuurstrijd gaande in natuurland?’

Zou het? Lawrence Cheuk van de Jonge Klimaatbeweging denkt van niet. Het is niet dat mensen van kleur niets voelen voor groene recreatie, zegt hij. Maar er is wel een ander probleem, dat er niet geheel los van staat: toegang. Natuurrecreatie is volgens hem een luxe, ‘een hobby voor mensen met tijd en geld’. Voor mensen die zwaar maar onderbetaald werk doen of met moeite de eindjes aan elkaar knopen, is het vaak niet haalbaar. En dat zijn in ons land, benadrukt hij, disproportioneel vaak mensen met een biculturele achtergrond.

En, vervolgt Cheuk: ‘Een bijkomende factor is dat de natuur in armere wijken vaak minder dichtbij is; dat maakt het ook moeilijker voor inwoners om de natuur op te zoeken.’ Een terecht punt. Natuurgebieden die wat meer om het lijf hebben dan een stadspark, landgoed of recreatieplas liggen vaak ver van steden en zijn moeilijk bereikbaar voor wie weinig te makken heeft. Je hebt bijvoorbeeld bijna altijd een auto nodig; geen winkelcentrum zo lullig of er stopt wel een bus, maar het bos heeft zelden een halte.

Keith vertelt in haar essay hoe tot 1964 alleen witte mensen toegang hadden tot de Amerikaanse nationale parken. Dat veranderde toen de Civil Rights Act en de Wilderness Act werden getekend. ‘Maar’, schrijft ze, ‘toegang is meer dan de toestemming om ergens te zijn waar dat voorheen verboden was. De mensen die toegang hebben tot recreatie in de wildernis zijn nog steeds veelal wit, en er bestaat nu een de facto segregatie in plaats van een wettelijke.’

Volgens Keith wordt die segregatie in de hand gewerkt door wat we precies wilde natuur vinden en wat niet. We koesteren natuur die afgelegen ligt, stelt ze, maar kleinere wilde plekken die dichtbij steden liggen worden niet erkend of beschermd als wildernis; ze worden ontbost, bebouwd, lelijk gemaakt. We hebben de natuur gesegregeerd van mensen, en dat raakt vooral arme mensen en mensen van kleur. Desegregatie van de natuur vereist meer dan discriminatie bij wet verbieden, meent ze. Je moet de wildernis ook dichterbij de steden brengen.

Dat is ook de wens van schrijfster Emma Marris. In een essay in de bundel ‘Meer: hoe overvloed de wereld juist duurzamer en welvarender maakt’ schetst ze een toekomst waarin we de landbouw superefficiënt hebben gemaakt, zodat het veel minder landoppervlak gebruikt. Zo komt er juist rondom steden ruimte voor wilde natuur. Ze beschrijft een stad die dooraderd is met groene stroken; met parken en schattige boerderijtjes, maar ook wildere plekken waar je kunt rennen, spelen of kamperen. Wie dat wil, kan via die groene corridors de grote wildernissen vlak buiten de stadskern bereiken. Zo heeft iedereen natuur – meer natuur dan een stukje bos ter grootte van een krant – op fiets-, rol- of loopafstand.

Om dat sneller voor elkaar te boksen, stelt Marris voor alle kleine stukjes stadswildernis in te lijven; ‘de vergeten percelen langs de snelweg, het beetje bos achter de bouwmarkt.’ Niet ver van waar ik woon vind ik zo’n plek. Ooit stond hier een huis; nu groeien op het laatste restje beton beukenboompjes en grove dennen; de bodem is bedekt met dovenetel en ooievaarsbek. Iets verderop staan woeste braamstruiken, de stengels dikker dan mijn duim. Tussen het groen ritselt van alles. Even denk ik dat ik een slang zie.

Dan stap ik op een leeg bierblikje. Het geluid van de drukke weg achter me overstemt de vogels; ik ruik geen bos maar de Deventer Koekfabriek van verderop. En toch kan ik me hier voorstellen hoe de ideeën van Keith en Marris werkelijkheid zouden kunnen worden. Ook ik kan schaduwen van de wildernis zien: hoe voor me een parkachtige corridor zou uitstrekken, dwars door de stad en verder, naar woeste bossen, verwilderde heuvels, ongetemde rivieren. Iedereen met een vol hoofd of een moe hart zou alleen maar de voordeur uit hoeven gaan, en een groene wereld zou aan onze voeten liggen.

Deze column verscheen op 30 oktober 2020 in de Volkskrant. In deze versie zijn de derde, vierde en zevende alinea iets gewijzigd voor de duidelijkheid.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Onder de beelden van plastic flessen die op het water drijven, is zachte pianomuziek gezet. Een kinderstem zegt: ‘Dit is de wereld die we zien. Waar we lachen. Waar we vallen.’ Ongetwijfeld hoopvol bedoelde cello’s zwellen aan. Een andere kinderstem: ‘Maar de wereld die we zien, is niet de wereld die we kennen. De wereld die we kennen, vindt een manier om te overwinnen.’ Er worden mensen getoond die plasticafval opruimen, gevolgd door mensen in een laboratorium. ‘De wereld die we kennen is gevuld met pioniers … Innovators die ons zullen helpen om de wereld te beschermen voor de generaties na ons.’ Er komt een waterval in beeld, een ongerepte rivier, een walvis met een jong. ‘Laat ons degenen zijn die samenkomen om de wereld te veranderen.’

Zo gaat een reclamefilmpje van de Alliance to end plastic waste, een samenwerking van multinationals in onder meer de olie en chemie. Het is ‘hun ambitie’ om ‘miljoenen tonnen plasticafval om te leiden’ en ‘bij te dragen aan een circulaire economie’, melden ze. Shell, een ‘leading member’, heeft een eigen filmpje over hoe het hun ‘wereldwijde ambitie’ is om een miljoen ton plasticafval om te zetten in nuttige chemicaliën. Gebruikt plastic is geen rotzooi, wil Shell maar zeggen: het is een grondstof vol mogelijkheden.

Dat is een populair idee. Wij, brave burgers, scheiden netjes ons afval, de gemeentes laten het plastic sorteren en iemand maakt daar weer nieuwe spullen van. De koning noemde het nog in de troonrede, ‘de circulaire economie, waarin afval weer grondstof wordt’. De notie is zo ingeburgerd dat zelfs de Donald Duck er deze week een stripje over had, waarin een nichtje van Katrien zegt: ‘Zo, dit flesje gaat in de plasticbak, dan kan er weer iets nuttigs van gemaakt worden!’

Er is alleen één probleempje met dit idee: het is grotendeels bullshit. Het gros van het plastic dat we inzamelen wordt helemaal niet gerecycled. Veel materiaal is niet puur genoeg voor hergebruik. Slechts 25 procent van het Nederlandse verpakkingsmateriaal krijgt een nieuw leven. Wereldwijd recyclen we maximaal 20 procent van het plastic; de schatting van milieuorganisaties is nog lager, 9 procent. De rest wordt gestort, verbrand of krijgt zwemles tussen schildpadden en dolfijnen. Bovendien kan men plastic maar een of twee keer recyclen. Daarna is de kwaliteit te slecht en is het alsnog vuilnis.

De hoeveelheid gerecycled plastic valt bovendien in het niet bij de nieuwe productie. Bij Shell steekt men veren in eigen derrière omdat ze een miljoen ton plastic willen recyclen, maar wat ze er niet bij zeggen is dat er jaarlijks 350 miljoen ton nieuw plastic wordt geproduceerd. Onder andere door henzelf: terwijl ze gelikte filmpjes maakten, investeerden ze ook ruim 6 miljard in een gloednieuwe plasticfabriek in Pennsylvania.

Deze tegenstrijdigheid is geen toeval, zo ontdekten NPR en PBS Frontline. Al in de jaren 70 wist de plasticindustrie dat het spul slecht recyclebaar was. Maar toen plastic in de jaren 80 een imagoprobleem kreeg – de afvalberg groeide, nare wetten dreigden – begonnen ze toch een misinformatiecampagne die nog steeds gaande is. Mensen die voorheen hoge functies bekleedden in de plasticindustrie beamen dat dit de opzet is: als het publiek denkt dat recycling werkt, maken ze zich niet zo druk over de productie van nieuw plastic. Als burgers en bestuurders geloven dat gebruikt plastic geen milieuverpestende meuk is, maar een waardevolle grondstof, dan komen ze niet op het effectieve idee om wetten en quota’s te maken die de productie aan banden leggen, en blijven de plasticmiljarden binnenrollen.

En het heeft gewerkt. Veel beleid richt zich niet op de plasticbakkers, maar op individuele burgers: die moeten zorgen voor minder en beter gescheiden afval. Afspraken met de industrie zijn vrijblijvend. Zo is er een Plastic pact, waarin partijen ‘de ambitie’ uitspreken om ‘gezamenlijk de plasticketen te vereenvoudigen en te sluiten.’ Maar ambities zijn losse flodders: het klinkt alsof je heel wat van plan bent, maar als het niet lukt, hoeft er niets te worden afgerekend.

Dus komt de plasticindustrie weg met mooie praatjes en filmpjes met babywalvissen. Maar vergis je niet: deze industrie wil de wereld niet beschermen; ze wil ons de illusie van een groene toekomst verkopen, zodat ze de aarde kan blijven vervuilen. Ze wil de wereld niet veranderen; ze wil alleen maar dat wij dat denken, zodat de wereld precies hetzelfde kan blijven.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Ik heb volkomen ongelijk. Of althans, dat vind meneer D. nadat hij mijn vorige column heeft gelezen. Daarin betwijfelde ik of de gezondheidswinst van een verblijf in de natuur meetbaar is; misschien is het niet nodig om de helende kracht van bos, zee en bergen in cijfers en procenten uit te drukken; er is magie in de natuur, en dat is genoeg.

Meneer D. denkt er anders over. Want: als we niet meten hoe waardevol de natuur is, als we daar geen geldbedragen en percentages gezondheidswinst aan hangen, hoe kunnen we dan voorkomen dat de natuur in een kapitalistische samenleving verdrongen wordt door andere dingen – industrieterreinen, snelwegen, megastallen – die wel klinkende munt opleveren in de balansboekjes van overheden en bedrijven? In een kapitalistische samenleving telt vooral geld. Al dat gelul over magie maakt de natuur alleen maar tot een gemakkelijk doelwit. Iedereen die niet door die magie beroerd wordt, kan immers zijn schouders ophalen over die mooie vogels, bossen en zonsopkomsten van mij, en de hele bups rooien om er graziger – en bovenal: winstgevender – weides van te maken.

Misschien heeft meneer D. een punt. Ik moet denken aan een interview met bioloog Gretchen Daily dat ik onlangs las in de New Scientist. Daily pionierde het rekenen aan de waarde van de natuur. Ze hoopt dat deze manier denken tot een cultuuromslag gaat leiden. In de vorige eeuw hebben we grootschalige verwoesting van de natuur gezien, zegt ze. ‘Als we van deze prachtige blauwe planeet aan het eind van deze eeuw een plek gaan maken die ook maar bij benadering leefbaar is voor onze nakomelingen, dan moeten we natuur naar het hart van de besluitvorming brengen en naar het strijdperk van kosten-batenanalyses – en dat strijdperk veranderen.’

Dus is zij een gepassioneerd voorstander van natuur niet alleen mooi en magisch vinden, maar ook een vorm van ‘groen kapitaal’, vol met nuttige ‘ecosysteemdiensten’: bestuivende bijen, CO2-slurpende bomen. Ze staat daarin beslist niet alleen. Afgelopen juni becijferden De Nederlandsche Bank en het Planbureau voor de Leefomgeving nog dat ‘510 miljard euro van de leningen, aandelen en obligaties van de Nederlandse financiële sector in hoge mate afhankelijk is van biodiversiteit’. Al geef je geen bal om vogelzang, natuurbehoud is gewoon economisch verstandig.

Maar wetenschapsjournalist Emma Maris zet in een essay toch vraagtekens bij deze denkwijze. Het mag misschien objectief klinken, schrijft ze, maar de meeste mensen die pleiten voor meer natuur doen dat helemaal niet omdat toevallig uit hun spreadsheet is gebleken dat dit financieel voordelig is, maar omdat ze van groen en wildernis houden. Ze ‘praten over ecosysteemdiensten, zelfs wanneer er eigenlijk liefde in hun hart is’, schrijft ze. En dat vindt ze onverstandig. Mensen houden misschien wel meer van de natuur dan ooit tevoren; een pleidooi voor meer natuur op basis van liefde en het idee dat natuur intrinsiek waardevol is, vindt ze intellectueel eerlijker en mogelijk effectiever.

Ook schrijver George Monbiot formuleert in een lezing bezwaren tegen praat over groen kapitaal en ecosysteemdiensten. Door de waarde van natuur te berekenen, door het deel te maken van kosten-batenanalyses, duw je de natuurlijke wereld nog verder het kapitalistische systeem in, stelt hij, terwijl dat systeem juist verantwoordelijk is voor een groot deel van de verwoesting van de natuur.

En dat is niet slim. Want wat nou als uit je kosten-batenanalyse blijkt dat een snelweg per huishouden per jaar meer opbrengt dan een natuurgebied? Of als er technologische oplossingen zijn die dezelfde ecosysteemdiensten kunnen bieden als een bij of een boom, maar dan goedkoper? Dan sta je als natuurliefhebber mooi in je hemd met je rekensommen.

Bovendien ondermijn je zo je eigen morele positie, denkt Monbiot. Door je eigen normen en waarden, je liefde, je gevoel, de magie te vervangen door de taal van het kapitalisme, van de vrije markt, van mensen die de intrinsieke waarde van de natuur niet zien, ga je mee in het idee dat die waarde er niet is of in ieder geval niet centraal hoort te staan in het debat. Maar wie overtuig je daarmee?

Als iemand natuur beschouwt als goedkoop, als iets dat je gewoon kunt opgebruiken, zou zo iemand dan echt van mening veranderen als we natuur op papier duurder maken? Verandert natuur voor iemand die de magie niet ziet, die geen bomen ziet maar hout, geen aarde maar kavels, geen dieren maar vlees, dan ineens van waardeloos in kostbaar?

Ik denk het niet.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Soms is er een moment, vlak voordat de zon opkomt, dat alles blauw lijkt. Het is stil in het bos; de meeste nachtdieren zijn al gaan slapen, de dagdieren zijn nog niet wakker. Maar ik ben dat wel, onverwacht toch even op een camping aan de rand van de Veluwezoom, waar we corona-bestendig verblijven op een afgelegen plekje, geïsoleerd, de eigen mobiele poepdoos mee. Een paar nachten slechts, omdat we de gemeenschappelijke douchehokjes mijden en dus weer weg moeten zijn voordat onze lichaamsgeur hinderlijk wordt voor derden en bosdieren.

Het bos ruikt naar humus en de regen van gisteravond, en ik kijk hoe de kleuren veranderen van blauw naar goud; de eerste zonnestralen vallen tussen de bomen door. Een voor een beginnen de vogels te zingen, tot er tientallen klinken, elk met hun eigen melodie, en toch botst en schuurt er niets. Voor het eerst in maanden heb ik geen buikpijn, zijn mijn kaken niet op elkaar geklemd. Ik ben tevreden, dankbaar dat ik hier mag zijn, dat dit moois nog bestaat, gewoon doorgaat, dat er licht is, ondanks alles. Een dageraad in de natuur, troost voor wie een tijd verdrietig is geweest.

Onder de luifel van ons caravannetje lees ik boeken van vrouwen die zich door de natuur hebben laten helen. Zoals Amy Liptrot, die zichzelf na een verwoestende alcoholverslaving terugvindt op de Orkney-eilanden. In The Outrun vertelt ze hoe ze, in plaats van de meditatie die de AA aanbeveelt, gaat lopen in de heuvels. In beweging zijn kalmeert me, schrijft ze; ik vul de leegte met momenten van schoonheid. Verderop in het boek vertelt ze hoe een bruinvis steeds om haar haar boot heen dartelt, hoe een blauwe kiekendief een paar seconden lang naast haar auto vliegt.‘Ik ben in een vrije val geraakt, maar ik grijp deze dingen vast terwijl ik neerstort.’

Er zijn mensen die proberen de soelaas die de natuur kan bieden in cijfers te vangen. Wim Pijbes pleitte onlangs in Elsevier Weekblad voor meer en betere stadsparken. Deel van zijn argumentatie: ‘Medici benoemen de waarde van stadsparken als helende omgeving. (..) Twee uur per week in de natuur verlaagt de kans op astma en allergieën, verlaagt stress en verhoogt de levensverwachting.’ Een Brits rapport heeft hier zelfs eens een bedrag aan gehangen. Natuur, zo werd berekend, zorgt voor onder andere recreatie, gezondheid en troost, en dat zal in 2060 wel 290 pond per huishouden per jaar opleveren.

Ik zal niet de enige zijn wiens kullebul-o-meter daarvan uitslaat. Maar ook het andere rekenwerk laat me fronsen. Zo leggen de studies naar de gezondheidseffecten van groen en natuur wel verbanden, maar zonder echt te doorgronden wat oorzaak en gevolg is: maakt de natuur ons gezonder of zijn gezonde mensen vaker in de natuur? Is er nog een derde factor – rijkdom, opvoeding, hondenbezit – die én gezonder én natuurminnend maakt?

Of, nu we toch aan het fronsen zijn: neem die ‘twee uur per week’ die Pijbes noemde. Die komt waarschijnlijk uit die studie waarin bijna 20.000 mensen aangaven hoe lang ze de afgelopen week in de natuur waren geweest, en hoe ze hun gezondheid en welzijn ervoeren. De conclusie: wie minstens twee uur klokte, voelde zich beter. Maar nu het deel waar we de wenkbrauwen mogen optrekken: dit is volgens de wetenschappers een drempelwaarde, een harde grens. Met andere woorden: wie 120 minuten of langer in de natuur verpoost, plukt daar de vruchten van, maar wie na 119 minuten vertrekt, had net zo goed thuis kunnen blijven. Het is een fraai voorbeeld van hoe je de rijkdom van de menselijke ervaring met behulp van statistiek kunt vervormen tot iets dat lijkt op een hard feit, maar eigenlijk weinig meer met de werkelijkheid te maken heeft.

Hoe meer ik over zulke studies lees, hoe meer ik denk dat ze proberen iets te meten wat niet te meten valt. De zee, het bos, de bergen: ze kunnen balsem voor de ziel zijn. Maar hoe hang je daar cijfers aan? Hoeveel procentpunten gezondheidswinst ken je toe aan de vogels en de wind en de oceaan die een alcoholist hielpen het leven nuchter te omarmen? Hoe peil je de waarde van een dageraad in het bos die het hart helpt te helen van iemand met verdriet? Moet je dat kunnen tellen en berekenen? Is dat belangrijk?

Misschien niet. Misschien doen we de werkelijkheid meer recht als we gewoon toegeven dat in de natuur nog magie bestaat. En dat je magie niet kunt meten. Maar als je geluk hebt, kun je je er soms even door laten betoveren.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

‘Er zitten gaten in het weefsel van de alledaagse wereld’, schrijft Katherine May in haar mooie boek Wintering. En soms val je daar doorheen, niet door schuld maar door omstandigheden, en kom je ergens anders terecht. In een seizoen van kou, ‘een braakliggende periode in je leven waarin je afgesneden bent van de wereld, je afgewezen voelt, buitenspel gezet, weerhouden van vooruitgang of in de rol van buitenstaander bent gedwongen.’ Een periode van bedroefd zijn, van ongelukkig zijn, van je terugtrekken. May noemt het ‘winteren’.

Ik las Mays boek omdat ik door de gaten van het weefsel van de wereld aan het vallen ben. Het begon met de lockdown – een soort kunstmatige winter – en sindsdien is het bij me: dat gevoel van halfbestemd verdriet, van niets lukt, van dit gaat zo niet langer en ik weet niet waar ik het zoeken moet.

Toen de scholen dichtgingen, was ik net ziek geweest – hoesten, zweten, trillen, slapen, mezelf wakker hoesten, herhaal – en dus niet op mijn best. Mijn huis raakte ineens gevuld met virusangst, kindertranen, normaalheimwee en de voortdurende luidheid van mensen die net iets te dicht op elkaar moeten leven en werken. En net toen we hier onze weg in vonden, ging mijn opa dood. Nu is er ook nog rouw: de tranen komen snel, de woorden langzaam, een paniek dringt steeds aan, hoog in mijn keel, bij elk klein probleem; een ziek kind, beestjes op de kamerplanten. Ondertussen begint het normale leven weer, maar zonder mij. Net als andere mensen uit de coronarisicogroepen kan ik enkel toekijken: ook verlangend naar vrijheid en afleiding en dagen in de buitenlucht, maar nog opgesloten, halfvergeten, achtergebleven.

Ik treur en ik struikel, maar ik schroom om dat toe te geven, aan mezelf en al helemaal aan anderen, al ben ik vast niet de enige die zich na de lockdown zo voelt. ‘De momenten waarop we uit het dagelijks leven vallen blijven taboe’, schrijft May. We zien het als een vernedering, als iets gênants dat we moeten verbergen. ‘Dit betekent dat we een geheim hebben gemaakt van een volkomen normaal proces, en zo de mensen die het ondergaan een paria-status hebben gegeven, die hen dwingt zich uit het dagelijks leven terug te trekken om zo hun falen te verbergen.’

Maar winteren is onvermijdelijk. We hebben de neiging om ons leven voor te stellen als een lijn: we beginnen met een lente, gevolgd door een zomer waarin we steeds mooier bloeien, en dan komen herfst en winter en is het gedaan. May noemt dit ‘een brute onwaarheid’. Het leven is cyclisch, schrijft ze. ‘We hebben seizoenen waarin we bloeien, en seizoenen waarin de bladeren van ons af vallen en onze kale botten blootleggen.’

Waarom vrezen we de winter? Planten en dieren zijn er niet bang voor, vechten er niet tegen, schamen zich er niet voor, proberen niet krampachtig dezelfde levens te leiden als ze in de zomer deden. Ik moet denken aan de vaste planten in mijn tuin. Als de stress van de kou hen teveel dreigt te worden, laten ze hun bloei en bladeren los en trekken ze zichzelf terug in de aarde. Ze werpen zich terug op hun wortels; tot dat deel van hen dat hun anker is, en de basis van al hun groei.

Zouden mensen kunnen leren om zoiets te doen? In plaats van je te verzetten tegen je verdriet, steeds maar weer een vrolijk masker op te zetten, kun je je ook terugtrekken en de winter toelaten. ‘De actieve acceptatie van droefenis’, noemt May het; een periode waarin we onszelf toestaan om onze ware behoeftes te voelen, om pijnlijk eerlijk te zijn tegen onszelf. Ongelukkig zijn is leerzaam; het vertelt je dat er iets verkeerd gaat, en als we het verdriet daarover kunnen toestaan, ontdekken we misschien belangrijke aanwijzingen over hoe we kunnen veranderen.

‘Dit is een kruispunt dat we allemaal kennen’, schrijft ze, ‘een moment waarin je je huid moet afwerpen. Als je dat doet, dan zul je al die pijnlijke zenuwuiteinden blootleggen, en je zo rauw voelen dat je een tijdje voor jezelf moet zorgen. Maar als je het niet doet, zal je oude huid om je heen verharden.’

Ik wil niet verharden. En ik wil me niet langer schamen voor mijn winter. Mijn verdriet voelt minder zwaar als ik het omarm dan wanneer ik het, dapper neplachend, tegen de klippen op achter me aan sleep. Bovendien is er wijsheid te vinden in de winter, en genezing. Laat mij maar even alleen mijn wortels zijn, dan kom ik later wel weer bloeien.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.

Ik ben naar onze tuin ontsnapt, en nu zit ik, mijn dikke groene werkhandschoenen nog aan, naast de uitbundig bloeiende sering na te denken over William Wordsworth. Hij was naast dichter ook tuinier en zag de tuin als een toevluchtsoord; een plek waar je de helende effecten van de natuur kunt ondergaan terwijl je afgescheiden bent van de wereld, maar tegelijkertijd toch ‘te midden van de werkelijkheid der dingen’ bent.

Ik las over Wordsworth in het boek Tuinieren voor de geest van psychiater Sue Stuart-Smith. ‘Deze ‘werkelijkheid der dingen’ omvat niet alleen alle natuurlijke schoonheid’, schrijft zij, ‘maar ook het verstrijken van de seizoenen en de gehele levenscyclus. Met andere woorden, tuinen vormen weliswaar een toevluchtsoord waar we ons korte tijd van de wereld kunnen afzonderen, maar ze brengen ons ook in contact met de fundamentele aspecten van het leven.’

In een tuin komen dingen tot leven en bloei, ze kwijnen en sterven af. Veel echter wordt het niet, maar tegelijkertijd hangt er weinig vanaf. Je kunt erbij zijn, zonder dat het teveel pijn doet. Dat is kostbaar, denk ik, want er zijn momenteel weinig plekken waar je de werkelijkheid ongefilterd kunt toelaten zonder overspoeld te worden door gemis.

Misschien is dat wel waarom tuinieren tijdens deze coronacrisis zo’n grote aantrekkingskracht op ons heeft. Vanaf het moment dat Nederlanders begin mei weer voorzichtig de deur uitgingen, was het druk in onze tuincentra. Ik las dat in de Verenigde Staten gewapende conservatieven de straat opgingen voor, onder andere, het recht om weer te tuinieren. ‘Tuinieren is essentieel!’ riep iemand vanuit een pick-up truck. Ik ben het zelden met zulke lieden eens, maar daar hebben ze misschien een punt.

Stuart-Smith betoogt in haar boek dat tuinieren een psychologische activiteit is: we wroeten, zaaien en snoeien niet alleen met onze handen, maar ook in ons hoofd. Een tuin is niet alleen een toevluchtsoord, ‘maar schenkt je ook de rust en stilte om je eigen gedachten te kunnen horen. Hoe meer je opgaat in het met je handen werken, hoe meer innerlijke vrijheid je krijgt om je gevoelens te ordenen en te verwerken.’

Dat is precies waarom ik de tuin in ben gevlucht. Sinds mijn vorige column is mijn opa overleden aan corona en ik ben zo druk met het regelen van de uitvaart dat mijn hoofd is gevuld met chaotische gedachtesmurrie over wat er nog gedaan moet worden. Een uurtje in de tuin en ik voel me kalm; nu merk ik pas hoe moe ik ben, en hoe verdrietig. Hoe rouw een soort heimwee is, alleen niet naar je huis, maar naar iemand bij wie je je ooit thuis hebt gevoeld.

Gelukkig geven planten er niet om als je een beetje op ze huilt. Zeker de dode niet, want heel passend bleek in mijn tuin ook van alles gestorven te zijn, zoals de margrieten die ik pasgeleden liefdevol had verplaatst, maar die inmiddels zijn kaalgevreten door klootslakken. Of het appelboompje dat de geest gaf na ruim een jaar door een buurkat als pispaaltje te zijn gebruikt.

Ik zet de zaag erin, maar de dode takken doen me ongewild denken aan die verschrikkelijke metafoor van Marianne Zwagerman in de Telegraaf, over de natuur die ‘dingen zelf regelt en af en toe een virus over de aarde jaagt om het dorre hout te kappen’. Dat gaat ook over mijn opa, denk ik steeds maar: een demente man met diabetes en een hartkwaal in een verpleeghuis. ‘Dor hout.’

Hoe ga je om met een wereld waarin er mispunten bestaan die het niet zo erg vinden dat mensen als mijn opa doodgaan? Een wereld, ook, waarin het personeel in verpleeghuizen wekenlang bewust genegeerd werd bij de verdeling van mondkapjes, waarin ze lange tijd met opzet niet werden getest en waarin ze dus ongewild hun eigen bewoners hebben besmet. Waarin beleidsmakers de levens van mensen in verpleeghuizen goedkoop hebben gemaakt.

Ik weet het even niet. En dus heb ik me afgezonderd. Ik poot jonge plantjes tegen de rouw en maak stekjes tegen het verdriet; nieuw leven tegen de dood. ‘Als er geen verlies bestond, zou het ons ontbreken aan scheppingsdrang’, schrijft Stuart-Smith. Op de plek waar de gerooide appelboom en margrieten stonden, blijken een paar stukjes vochtige, zwarte aarde over te blijven, ideaal om kaardenbollen en korenbloemen te zaaien.

Dat is geen metafoor voor de samenleving, wil ik benadrukken. Het is gewoon een simpele troost in verdrietige tijden.

© Asha ten Broeke. Alle rechten voorbehouden.